Ga naar hoofdinhoud
Vervolgopleiding kiezen

Huisartsgeneeskunde: vol variatie en verrassingen

Als we één specialisme denken te kennen, dan is het wel huisartsgeneeskunde. Met de nadruk op denken, want het vak heeft ook minder bekende kanten, vertelt aios Pieter van Kempen. ‘Mensen zijn vaak verrast dat dit óók bij ons werk hoort.’

Pieter van Kempen had al zijn pijlen gericht op kindergeneeskunde. Hij werkte ook al twee jaar als anios binnen dit specialisme – eerst in Suriname, daarna in Den Bosch. Maar het knaagde. Dit was het toch niet, voelde hij. ‘Kindergeneeskunde is een beschouwend vak, je bent weinig met je handen bezig.

Ik miste het praktische aspect. Nou ben ik geen “hardcore” snijder, maar ik wil wel iets kunnen “doen”. Daarbij ben ik een generalist. Als kinderarts word je weliswaar breed opgeleid, maar in een groter ziekenhuis ontkom je niet aan een sub­specialisatie. Bovendien hecht ik veel waarde aan langdurig patiëntencontact, iets wat in een ziekenhuis vaak minder aan de orde is.’

Van baby tot oudere

Toen Pieter zijn wensen nogmaals onder de loep nam, kwam hij uit bij huisartsgeneeskunde. Die keuze heeft hem geen windeieren gelegd. ‘Dit vak is allesomvattend. Je wisselt je spreekuur af met huisvisites en het type klachten varieert enorm. Het ene moment zie je een baby met forse refluxklachten, het volgende moment spring je in de auto naar een oudere patiënt met pijn op de borst. Je krijgt te maken met chronisch zieke patiënten, maar ook met spoedeisende zorg – een snijwond die gehecht moet worden, bijvoorbeeld.’ Je kunt dus zeker met je handen werken, lacht Pieter. ‘Het blijft trouwens niet alleen bij hechten. Denk óók aan het geven van een injectie bij gewrichtsklachten, het verwijderen van plekjes en het plaatsen van een spiraal.’

De problemen waarmee patiënten langs­komen, variëren van laag- tot hoogcomplex, gaat Pieter verder. ‘Bij een ingegroeide teennagel weet je wel wat je moet doen, maar het wordt ingewikkelder als iemand met vage klachten zoals moeheid of duizeligheid kampt. Dan moet je echt dieper op het probleem ingaan en lichamelijk of zelfs aanvullend onderzoek doen om het probleem beter in kaart te brengen.’ Dat hij nu veel dichter bij zijn patiënten staat, maakt hem nog wel het meest enthousiast. ‘Ik werk hier nu een halfjaar en zie sommige patiënten al geregeld terug – laat staan als ik straks officieel huisarts ben. Je groeit dan echt mee met een patiënt en kunt een langdurige band opbouwen.’

Pieter van Kempen: ‘je groeit echt mee met een patiënt’

Doorvragen

Interesse hebben in je patiënt en de reden waarom diegene langskomt. Dat is misschien wel de belangrijkste competentie die je als huisarts moet bezitten, denkt Pieter. ‘Kijk, natuurlijk zijn er situaties waarbij je meteen ziet wat er scheelt. Het komt echter ook voor dat je een relatief eenvoudige vraag krijgt, terwijl er veel meer aan de hand is. Het is zaak dat je dán doorvraagt. Vaak blijkt er een heel verhaal achter te zitten. Een familielid dat aan kanker is overleden, bijvoorbeeld – en waarbij de patiënt bang is om hetzelfde lot te ondergaan. Tijdens de opleiding is veel aandacht voor arts-patiëntcommunicatie, maar het is goed om die interesse ook vanuit jezelf te hebben. Je kunt dan immers beter plaatsen waarom iemand tegenover je zit en eventuele zorgen wegnemen. Daardoor wordt de zorg automatisch beter.’

Sterk in je schoenen

Goed nieuws voor wie het specialisme overweegt: het werk ligt voor het oprapen, aldus Pieter. ‘Er is veel baanperspectief en je hoeft niet aan de andere kant van het land te solliciteren, omdat er in de eigen regio voldoende mogelijkheden zijn.’ Dat betekent niet dat er voor de opleiding geen selectieprocedure is, vervolgt hij. ‘Met de juiste motivatie en de nodige werkervaring zou dat echter geen problemen moeten opleveren. Dat laatste wil ik ook echt adviseren aan studenten. Je werkt grotendeels zelfstandig, dus die ervaring maakt dat je sterker in je schoenen staat.’ Zelf werkte de aios vóór zijn opleiding nog een klein jaar op de SEH. ‘Omdat ik al die tijd alleen met kinderen had gewerkt, wilde ik de pathologie bij volwassenen weer in de vingers krijgen. Dat heeft me zeker geholpen.’

Terminale zorg

‘Als het leuk wordt, moet je doorverwijzen’ is een uitspraak die nog weleens wordt gekoppeld aan huisartsgeneeskunde. Onterecht, vindt Pieter. ‘Je kunt veel dingen juist zelf oplossen, waardoor patiënten niet eens naar het ziekenhuis hoeven. Anderzijds werk je juist veel samen met het ziekenhuis. Een patiënt met bijvoorbeeld hartfalen staat onder controle bij de cardioloog, maar komt ook geregeld op het spreekuur. Die mensen vervolg je dus wel degelijk.’

En zo zijn er meer onbekende kanten aan het specialisme. Dat je als huisarts ontzettend veel kunt betekenen in de laatste fase van iemands leven, bijvoorbeeld. Pieter: ‘Mensen zijn vaak verrast als ze horen dat palliatieve zorg een belangrijk onderdeel van het werk is – maar een patiënt die in het ziekenhuis is uitbehandeld, wordt vaak terugverwezen naar de huisarts. Als huisarts lever je de palliatieve en terminale zorg en ga je met een patiënt het gesprek aan over wat voor diegene kwaliteit van leven is – en hoe jij als huisarts dit proces zo goed mogelijk kunt ondersteunen.’ Het contact wordt intensiever naarmate de toestand van een patiënt verslechtert, besluit de aios. ‘In die laatste fase ben je intensief betrokken bij de patiënt en diens familie. Hoewel de aanleiding enorm verdrietig is, zorgt het ook voor bijzondere momenten en mooie gesprekken. Het laat echt zien hoe belangrijk de arts-patiëntrelatie juist in die laatste levensfase is. Dat vind ik heel waardevol.’

DE OPLEIDER

‘Als praktijkhouder run je echt een bedrijf’

Opleider Baukje de Win is huisarts en praktijkhouder in Nuenen.

Wat is het kenmerkende van dit specialisme? ‘Je komt in aanraking met verschillende kwalen en ziet patiënten van alle leeftijden. Het meest complex zijn oudere patiënten met mentale of lichamelijke problemen. Soms zijn patiënten mantel­zorger voor hun partner maar komen ze zélf met – bijvoorbeeld – een heupfractuur in het ziekenhuis te liggen. Hoe regel je de zorg dan? Dat soort zaken coördineer je ook. Tot slot kun je ervoor kiezen om praktijkhouder te worden. Je runt dan echt een bedrijf en bent verantwoordelijk voor onder meer het personeelsbestand, de administratie en het IT-gedeelte. Kenmerkend is dus de breedte van het vak – op álle fronten.’

Wat zijn belangrijke competenties en vaardigheden? ‘Cliché maar waar: ­goede communicatie is écht belangrijk. Ter illustratie: een collega liet onlangs haar ­dokterstas met instrumenten in de auto liggen. Ze kwam daar ’s middags pas ­achter – tot die tijd had ze haar patiënten kunnen helpen zonder ook maar iets van lichamelijk onderzoek. Dat laat zien hoe belangrijk gespreksvoering is.

Daarnaast moet je goed kunnen plannen en organiseren. Is het slim om een visite aan het einde van de dag te plannen, mocht er aanvullende diagnostiek nodig zijn? En dat ene telefoongesprek heeft geen spoed, maar is het medisch gezien ­ver­standig als ik die patiënt laat wachten? De werkdagen zitten bomvol, dus je moet steeds keuzes maken.’

Klopt het beeld dat studenten hebben van dit specialisme met de realiteit? ‘Ik denk het wel. Al zijn studenten vaak verrast over het plezier dat je uit relatief ­eenvoudige klachten – die op voorhand “saai” lijken – kunt halen. Maar het is juist interessant om te kijken waaróm iemand met bijvoorbeeld knieklachten zich al na drie dagen meldt. Als diegene op het werk veel moet traplopen en bang is voor baanverlies, is de context meteen anders.’

Wat is het belangrijkste voor- en nadeel? ‘Een nadeel is dat je soms een sluitpost bent. Als de fysiotherapeut of psycholoog er niet meer uitkomt, is de boodschap vaak: ga maar terug naar de huisarts. Ook zorgverzekeraars proberen steeds meer tweedelijnszorg in de eerste lijn te krijgen. De belasting is daarmee hoger geworden en dat kan frustrerend zijn. Een groot voordeel is de dynamiek van het vak. Niet alleen in het type patiënten en klachten, maar ook als het gaat om de samenwerking met andere disciplines zoals de assistent en praktijkondersteuner. Je bent misschien een individu in de spreekkamer, maar daarbuiten echt onderdeel van een team.’ 

Huisartsgeneeskunde in het kort

• De opleiding tot huisarts duurt drie jaar. In het eerste en derde jaar werk je in een huisartsenpraktijk, het tweede jaar bestaat uit verschillende stages (SEH, ggz en ­ouderenzorg). Afhankelijk van je werk­ervaring kun je ‘korting’ krijgen op je ­opleiding.

• Per jaar zijn er ongeveer 850 opleidings­plekken beschikbaar.

• Momenteel zijn er ongeveer 13 duizend huisartsen en 2325 aiossen in Nederland werkzaam.

Dit artikel is eerder gepubliceerd op Arts in Spe.

Dit artikel delen?